Jeugdzorg
| Bij het thema JEUGDZORG staan twee actuele artikelen: |
Ouders tevreden over consultatiebureau, maar twijfelen of het kind er baat bij heeft.
De ouders van baby’s en peuters in Zeeland zijn doorgaans zeer tevreden over het consultatiebureau. Of de baby’s en peuters echt baat hebben bij het onderzoek en adviezen van het consultatiebureau, dat is voor de ouders minder duidelijk.
Een en ander blijkt uit de enquête Ouders van Jonge Kinderen die Scoop in 2009 voor de derde keer afnam onder de ouders van toen 3-4 jarigen. Aan deze enquête werd deel genomen door 1961 ouders. De twee eerdere enquêtes werden gehouden in 2001 en 2005.
Bijna alle ouders van baby’s en peuters in Zeeland bezoeken het consultatiebureau. In slechts 2% van de Zeeuwse gezinnen met jonge kinderen wordt geen gebruik gemaakt van de diensten van het consultatiebureau op het gebied van preventie en medische basiszorg. Van de weinige ouders die geen gebruik maken van het consultatiebureau, vindt een deel het naar eigen zeggen “niet nodig”. In veel gevallen zijn er echter ook heel voor de hand liggende redenen. De ouders woonden bijvoorbeeld eerst ergens anders of maakten gebruik van medische zorg in België. Ouders uit Sluis en uit Reimerswaal lijken iets minder gebruik te maken van het consultatiebureau. Van de in 2009 geënquêteerde ouders uit elk van beide gemeenten geeft 5% aan geen gebruik te hebben gemaakt van het consultatiebureau. Omgekeerd gaven alle geënquêteerde ouders uit Kapelle en Veere aan wel met hun kind het consultatiebureau bezocht te hebben.
De meest gebruikte diensten door ouders in de babyperiode (kind jonger dan 1 jaar) zijn het bezoek aan het consultatiebureau zelf (94%), de hielprik voor de pasgeborene (89%), het standaardhuisbezoek door de wijkverpleegkundige (89%), en het standaard vaccinatieprogramma (88%). Minder wordt gebruik gemaakt van het telefonisch spreekuur (22%) en het extra huisbezoek op indicatie (10%).
De meest gebruikte diensten door ouders in de peuterperiode (kind 1-4 jaar) zijn het bezoek aan het consultatiebureau zelf (91%), het vaccinatieprogramma (87%), en het standaard huisbezoek door de wijkverpleegkundige wanneer het kind 18 maanden oud is (76%). Van de overige diensten wordt in de peuterperiode weinig gebruik gemaakt: telefonisch spreekuur 6%, extra huisbezoek op indicatie 3%, peutercursus 3%, video hometraining 1%.
Wat betreft het gebruik van de diensten zijn er verschillen tussen de gemeenten. In Reimerswaal wordt relatief weinig aan de vaccinatieprogramma’s deelgenomen (baby’s 71%, peuters 70%). In Sluis komen extra huisbezoeken voor baby’s op indicatie ruim twee keer zoveel voor als elders (Sluis 22%, Zeeland 10%).
Gezinsomstandigheden voor jonge Zeeuwse kinderen verbeteren
De gezinsomstandigheden van Zeeuwse kinderen zijn in het voorbije decennium verbeterd. Bij gezinnen met jonge kinderen (vooral 3-4 jarigen) daalde het aandeel gezinnen met verhoogd risico van 6% in 2001 tot 4% in 2009. Naarmate er in een gezin minder risicofactoren aanwezig zijn, neemt de kans af op een negatieve ontwikkeling van kinderen, bijvoorbeeld gedrags- of ontwikkelingsproblemen, uitval op school of crimineel gedrag.
In de analyses is gekeken naar elf risicofactoren: eenoudergezin, vier of meer kinderen in het gezin, laag gezinsinkomen, laag geboortegewicht kind, kind in het ziekenhuis opgenomen geweest, kind met gehandicapt broertje of zusje, middelengebruik een van de ouders, kind met moeilijk temperament, een van de ouders is depressief (geweest), laagopgeleide ouders, slechte woonsituatie. Bij drie tot en met elf risicofactoren spreken we van een gezin met een verhoogd risico, een ‘risicogezin’.
De verklaringen voor de daling in het aandeel gezinnen met verhoogd risico zijn vooral gelegen in een verbeterde huisvesting, minder kinderen met een moeilijk temperament, en het tegenwoordig minder voorkomen dat beide ouders laag zijn opgeleid.
Beschermende factoren
Naast risicofactoren zijn er ook zogenaamde ‘beschermende’ factoren. Dit zijn factoren die als een tegenwicht de werking van risicofactoren kunnen ‘dempen’, maar slechts in beperkte mate. Hier zijn zes beschermende factoren meegenomen: overeenstemming over de opvoeding tussen de ouders, mogelijkheid om te praten over opvoeding met anderen, mogelijkheid om hulp in te roepen van buiten, ouder is over het algemeen tevreden over de buurt, beide ouders zijn religieus/levensbeschouwelijk en beide ouders hebben een betaalde baan. Bij vier tot en met zes beschermende factoren spreken we in dit onderzoek van ‘verhoogde bescherming’. In 2001 was bij zes van de tien jonge gezinnen sprake van verhoogde bescherming (62%). In 2009 is dat gestegen tot driekwart van de jonge gezinnen (75%).
De meeste risico’s lopen kinderen in gezinnen met hoog risico en weinig beschermende factoren. De analyse levert het beeld dat er een daling is in het aandeel gezinnen met hoog risico en weinig bescherming in Zeeland. Het betreft hier kleine aantallen gezinnen. Het voortschrijdend gemiddelde aandeel daalde van naar schatting 4,6% van de jonge gezinnen voor 2001/2005 naar 3,6% van de jonge gezinnen voor 2005/2009. Ook in de gemeenten is een daling te constateren met uitzondering van Sluis en Schouwen-Duiveland. Daarnaast blijkt de afname in Terneuzen en Goes wat kleiner dan in de andere twee stedelijke gemeenten Vlissingen en Middelburg. Het percentage gezinnen met verhoogd risico en weinig bescherming is (2005/2009) significant hoger in de gemeente Vlissingen en significant lager in Kapelle, Hulst en Veere.
Ouders van 3-4 jarigen geven aan dat zij zeer weinig stress ervaren bij het opvoeden en maken zich ook nauwelijks zorgen over het gedrag of de emotionele ontwikkeling van hun jong kind. Ouders uit gezinnen met verhoogd risico ervaren wat maar niet veel meer stress en zorgen dan de ouders uit gezinnen zonder verhoogd risico.
Ouders van jonge kinderen hebben tegenwoordig (2009) aanzienlijk meer contact met hulpverleners dan nog het geval was bij de eerste enquête in 2001. Dit geldt voor laagdrempelige hulp zoals bijvoorbeeld consultatiebureau, huisarts en GGD jeugdarts, wijkverpleegkundige etc… Het geldt ook voor minder laagdrempelige hulp zoals maatschappelijk werk en gezinszorg. De tevredenheid over de hulp is hoog. Meer dan 90% van de ouders is tevreden over de ervaren laagdrempelige hulp, meer dan 80% is tevreden over de minder laagdrempelige hulp.
| Bij Scoop is een nieuw themarapport verschenen uit de serie Ouders Jonge Kinderen. Het nieuw themarapport heeft als titel “Zicht op risicogezinnen en hulp” . |