Jongens sporten en meisjes sporten: verschillen blijven

Tussen jongens en meisje blijven onverminderd grote verschillen bestaan in de sporten die zij beoefenen. Dit blijkt uit de enquête Primair Onderwijs 2010 gehouden door Scoop onder kinderen uit groep 6, vooral 9- en 10-jarigen, van het basisonderwijs in Zeeland. Het was de derde keer dat deze enquête in het kader van de Jeugdmonitor Zeeland werd gehouden. De vorige enquêtes waren in 2006 en 2003.

Bij jongens blijft voetballen veruit de populairste sport. Ruim vier van de tien jongens uit groep 6 (44%) is lid van een voetbalvereniging. Er is bij de jongens geen tweede sport die qua populariteit in de buurt komt van het voetballen. De tweede meest voorkomende sport bij jongens is vechtsport / boksen / judo. Vijftien van de honderd jongens uit groep 6 zitten op vechtsport, boksen, en/of judo (15%).

grafiek sporten

     Figuur: Aandelen (%) jongens en meisjes uit groep 6 primair onderwijs Zeeland die lid zijn van een sportvereniging in 2010. (Bron: Scoop Jeugdmonitor enquête primair onderwijs).

Bij de meisjes zijn er drie favoriete sporten. Op de eerste plaats komt turnen / gymnastiek. Een op de vijf meisjes uit groep 6 (21%) zit op turnen of gymnastiek. Qua populariteit iets daarachter komt ballet en dans. Iets minder dan een op de vijf meisjes uit groep 6 (18%) zit op ballet en/of dansen. Een derde plaats is er bij de meisjes voor paardrijden. Zestien van de honderd meisjes uit groep 6 (16%) doen aan paardensport.

Bij de tot nu toe genoemde sporten zijn er grote verschillen tussen jongens en meisjes. Er zijn niet zo veel meisjes in groep 6 die voetballen (4%) of aan vechtsport / boksen / judo doen (5%). Omgekeerd zijn er niet zo veel jongens in groep 6 die op turnen of gymnastiek zitten (5%). En helemaal weinig voorkomend bij jongens in groep 6 is dat zij paardrijden (2%) of aan ballet en dans doen (1%).

Er zijn ook sporten die bij beide geslachten even populair zijn. Bij zowel de meisjes als jongens zitten er negen van de honderd op tennis (9%). Bij beide geslachten wordt er door acht van de honderd gezwommen (8%). 

Wordt gekeken naar sporten in het algemeen, dan zitten ruim zeven van elke tien kinderen uit groep 6 op een sportvereniging of -club (72%). De jongens iets meer dan de meisjes (jongens 76% lid, meisjes 69% lid). Bij de eerste enquête in 2003 was het aandeel kinderen dat lid was van een sportvereniging of –club vijf procent hoger (2003: 77%). Dat er tegenwoordig iets minder kinderen uit groep 6 op sport zitten, was echter al zichtbaar bij de enquête in 2006 (2006: 72%).

 

Minder kinderen op een sportclub als ouders niet sporten

Zeeuwse basisschoolleerlingen met sportende ouders zijn veel vaker lid van een sportvereniging of sportclub dan wanneer de ouders niet sporten. Dit is een opvallende uitkomst van de enquête Jeugdmonitor Zeeland Primair Onderwijs die Scoop in 2010 voor de derde keer hield sinds 2003 onder leerlingen van groep 6, vooral 9- en 10-jarigen, in het Zeeuwse basisonderwijs.

Van de kinderen uit groep 6 waarbij geen van beide ouders aan sport doen, zitten er bijna zes van de tien op een sportclub (57% is lid) (berekend over alle onderzoeksgegevens uit 2003, 2006 en 2010). Als zelfs maar één ouder (soms) sport (=ja, maar niet elke week) stijgt het aantal kinderen dat op sport zit tot ruim driekwart (77% is lid). En als beide ouders vaak sporten (d.i. een of meer keren per week) dan zitten bijna negen van de tien kinderen op sport (88%).

sportende ouders

De samenhang tussen het sporten van ouders en het lid zijn van een sportvereniging bij de kinderen suggereert dat goed voorbeeld doet volgen. De beschikbare gegevens laten zich echter niet zo eenvoudig duiden en vereisen meer diepgaande analyse. Er zijn aanwijzingen dat het sporten van ouders en zo direct en indirect ook het sporten van kinderen in sterke mate bepaald worden door achterliggende sociale en economische omstandigheden in het gezin. Meer concreet betreft het hier de rol van het geloof in de gezinnen en de positie van de ouders op de arbeidsmarkt.

Kerkgang en sporten
Bij kinderen uit groep 6 die zeer vaak, d.i. minstens 1 keer per week naar de kerk (of moskee) gaan, komt het aanzienlijk minder vaak voor dat één of beide ouders aan sport doen. Bij bijna de helft van die kinderen doen een of beide ouders (soms of vaker) aan sport (56%). Iets meer dan de helft van deze kinderen zit zelf op een sportvereniging (55%).

Bij kinderen die minder vaak dan 1 keer per week of nooit naar de kerk gaan, komt het aanzienlijk vaker voor dat een of beide ouders aan sport doen. Bij de ouders van deze kinderen doet driekwart soms of vaak sport (75%). Van deze kinderen zitten er ook acht van de tien op een sportvereniging (81%).

Werkende ouders en sport
Niet bekend is in wat voor materiële omstandigheden de kinderen leven. Op deze leeftijden hebben de kinderen er nog geen goed zicht op. Zij weten wel of vader en moeder een baan (of een eigen bedrijf) hebben. Het is zeer opmerkelijk dat er het minst gesport wordt zowel wanneer beide ouders geen baan hebben evenals wanneer alleen de vader een baan heeft. Wanneer beide ouders geen baan hebben, wordt er in ruim vier van de tien gevallen door hen ook helemaal niet gesport (42%). Wanneer alleen de vader een baan heeft, wordt er eveneens in ruim vier van de tien gevallen door hen helemaal niet gesport (44%). Dat beide ouders nooit sporten komt aanzienlijk minder voor wanneer beide ouders een baan hebben (bij 24% wordt nooit gesport) of wanneer alleen de moeder een baan heeft (bij 29% wordt nooit gesport).     

Bij de kinderen is hier vrijwel hetzelfde te zien. Van de kinderen waar beide ouders geen baan hebben, zitten er zes van de tien op een sportvereniging (60%). Bij kinderen waar alleen de vader een baan heeft, zijn dat er eveneens zes van de tien (62%). Wanneer alleen de moeder een baan heeft, zitten zeven van de tien op de sportvereniging (72%). En wanneer beide ouders een baan hebben, zijn acht van de tien kinderen lid van een sportvereniging.

In deze bespreking zijn tot nu toe het geloof in de gezinnen en de positie van de ouders op de arbeidsmarkt besproken als afzonderlijke factoren. Er lijkt echter ook sprake te zijn van een opvallend interactief of gezamenlijk effect. In gezinnen waar alleen de vader een baan heeft en kinderen vaak naar de kerk gaan komt het het minste voor dat de kinderen lid zijn van een sportvereniging. In deze gezinnen zitten vier van de tien kinderen op sport (42%). Wanneer alleen de vader een baan heeft en kinderen minder vaak of nooit naar de kerk gaan komt het bijna twee keer zoveel voor dat de kinderen op sport zitten (77%)
sportende ouders 2

Figuur: Aandelen (%) leerlingen in groep 6 primair onderwijs Zeeland die lid zijn van een sportvereniging/-club naar frequentie kerkgang en hebben van een baan bij ouders. (Bron: Scoop Jeugdmonitor enquête primair onderwijs 2003-2006-2010).